Tag: slechteinde

Het geluid van haar stem

Het geluid van haar stem

Dag een

Ze kwamen in stilte naar het kasteel. Twee, een paar tientallen en uiteindelijk honderden. Ik stond samen met Joss op de kasteelmuur en telde ze. Ze liepen over het strand, kwamen strompelend tussen de bomen vandaan en een van de boogschutters beweerde dat er twee over het water kwamen aanlopen. Ze omsingelden de heuvel en stonden daar maar, wiegend in de wind.

Een van de Stemlozen keek me recht aan. Zelfs op deze afstand wist ik dat zeker. Ik streek mijn duim over mijn voorhoofd om onheil af te weren. Ik ken jou. Alsof de Stemloze naast me stond en in mijn oor fluisterde, zo duidelijk hoorde ik de stem in mijn hoofd. Ik herinner me jou.

Ik schudde wild met mijn hoofd. Nee, ze kende mij niet. Ze leek niet echt zoveel op mijn zuster, dat was gezichtsbedrog.

“Wat doe je?” vroeg Joss.

“Niets.” Mijn hart klopte niet in mijn keel. Mijn handen waren niet klam. “Een mug. Rotbeesten.” Ik wapperde rond om een punt te maken.

Ik lag wakker in mijn bed. De woorden echoden in mijn hoofd als een opgeluchte zucht. Ik miste het geluid van de stem van mijn zus. Het horen van deze stemloze was een schok die ik niet kwijt kon raken. Ik ken jou. Ik ken jou. Ik ken jou. Voor de lucht grijs kleurde stond ik op, sloeg een mantel om en liep naar de kasteelmuur. Een ongelukkige wachter schrok op toen hij mij aan hoorde komen.

“Vrouwe,” knikte hij en liet me begaan.

De lichamen van de Stemlozen staken af tegen het donker door een paarse gloed van binnenuit. Ze waren dood, allemaal, dus wat leefde er in hen dat zulk onnatuurlijk licht kon voortbrengen?

Zuster? Ik stelde mezelf voor hoe mijn stemgeluid over de muur, door de lucht, bij haar aan zou komen. Marnion? Geen antwoord. Natuurlijk niet. Waarom was ik hier gekomen? Was ik gek geworden? Misschien was ik dat het afgelopen jaar steeds geweest. Sinds de dag dat ze verongelukte. Het was niet mijn zus die daar stond, zei ik tegen mezelf. De Stemlozen betekenden niets dan onheil, een kwade magie of een straf van de goden. Het was niet mijn zus. Ik draaide weg van de duisternis om nog een poging tot slapen te gaan doen.

Zuster.

Mijn hart stond even stil. Ik reikte opnieuw naar haar. Marnion? Hoe kan ik helpen?

Dorst.

Dorst? Wat bedoelde Marnion? Waar konden doden dorst naar hebben? Ik zag een paar wachters om me heen verward om zich heen kijken, hun hoofd schudden. Alsof ze een stem hoorden die er niet kon zijn.

Dag drie

De hitte van de namiddag versterkte de zware geur van verrotting. We hadden naar binnen kunnen gaan om iets frissere lucht op te zoeken, maar we stonden al bijna de hele dag op de muur.

“De oudste Stemlozen zijn het minst erg, weet je?” vroeg Joss.

“Wat?”

“Nou, als er nog maar heel weinig over is van een lichaam, zoals die daar, dan is er ook niet zoveel dat stinkt.” De Stemloze waar hij naar wees miste een arm en een deel van zijn romp en zag er zwart en verschrompeld uit. Het lichaam daarnaast was opgezwollen en bleek en droeg nog duidelijk de tekenen van de zwangerschap waarbij ze waarschijnlijk omgekomen was. Sommigen grijnsden door lang vergane wangen. Sommigen droegen de sporen van hun dood nog mee in de vorm van gapende wonden of ouderdom. Daarbij waren er nog nieuwe verwondingen, toegebracht door de wachters. Pijlen staken uit hun lijven, maar dat leek hen niet te deren.

“Waarom noemen we ze Stemlozen?” vroeg ik.

Joss haalde zijn schouders op. “Omdat ze geen stem hebben, natuurlijk.”

“We hadden ze Pijnlozen kunnen noemen. Doden. Spraaklozen. Gloeienden. Langzamen.”

“We noemen ze Stemlozen. Wat maakt het uit?”

Mij maakte het uit. Iemand had deze naam bedacht. Wie? En waarom?

De kring van Stemlozen leek elke dag een stukje dichter bij het kasteel te staan. Dichter bij de poorten. Sommigen van ons hoorden de gezuchte woorden van een Stemloze, maar we spraken er niet over. Ik weet niet hoeveel anderen probeerden terug te praten, zoals ik deed. Wel zag ik velen met een duim over hun voorhoofd strijken.

Dag vier

“Wij weten niet wie jullie zijn of wat jullie willen. Hebben jullie een bericht voor ons?” Heer Sallem was hoogstpersoonlijk op de muur gekomen om de Stemlozen toe te spreken.

Stilte volgde op zijn woorden.

“Weet dan, als jullie mij kunnen begrijpen, dat ik geen geweld tegen mijn mensen tolereer. Weet dat wij zullen vechten als jullie proberen binnen deze muren te komen. Weet dat wij genoeg water, voedsel en wapens hebben om hier rustig te kunnen blijven zitten terwijl jullie… terwijl jullie wegrotten.”

Het was geen hoogdravende toespraak. Ook heer Sallem had de doden nooit eerder zien terugkomen. Later die dag maakten de Stemlozen ruimte vrij rondom de hoofdpoort en de kleine poort naar het strand. Als een erehaag stonden ze bij de ingang. Wachtend.

Dag zes

Op bevel van Sallem gaven de cipiers onze gevangenen een keuze: hun vrijheid terug als ze door de poort zouden lopen. Van de negen stemde één in.

Ik dacht dat ik flauw zou vallen met al die drukkende lichamen om mee heen op de volle muren. Joss probeerde me wat ruimte te geven, maar iedereen hing naar voren toen de poort opende. Een kiertje maar, met de sterkste soldaten erachter om snel in te kunnen grijpen. De gevangene schuifelde naar buiten. De Stemlozen bleven staan en keken naar de poort. Vier stappen voorbij de laatste Stemloze zette hij het op een rennen. Als hij het dorp verderop verteld heeft wat er hier speelde, hebben zij gekozen om niet te komen helpen.

Later meldden twee gevangenen zich aan en ook een oude vrouw die een ziek familielid wilde bezoeken.

Dag negen

Het hele kasteel leek langzaam een ingehouden adem te laten ontsnappen. Ik wende zelfs aan de stem. Dorst. Ik kan het niet zeggen. Ik ken jou. Zuster. Een deel van mij verlangde ernaar haar in mijn armen te sluiten, rottend vlees of niet. Dood of niet. Ze klonk als mijn zuster, ze zag eruit als mijn zuster. Hoe kon ik haar dan daar laten staan? Maar een ander deel kreeg kippenvel bij de gedachte. We hadden haar begraven.

Ik mis je, Marnion.

Zuster.

Ben je haar echt?

Ik ken jou.

Ik miste haar hoge lach, haar valse gezang en haar plagende rijmpjes. Niets van die dingen hoorde ik terug in het gefluister van de Stemloze die zoveel op mijn zus leek.

Dag elf

Alles went, de geur van rotting en ook elke ochtend vroeg op de muur staan.

Marnion. Waarom ben je hier?

Dorst. De enige verklaring die ze gaf. De Stemlozen lieten de neergelaten vaten water en fruit met rust. Ze reageerden niet op muziek, lieten hun handen langs hun lichaam hangen tijdens het heilige uur en hadden de vijf mensen die nu waren vertrokken laten gaan. Ze wachtten nog steeds.

Ineens trok er een golf van activiteit door de stille lichamen. Ze draaiden naar de zijpoort toe. Waar vader Paddick zijn hoofd door stak. Ik keek aan de andere kant van de muur. Er stonden geen wachters achter hem, niemand om de poort dicht te duwen. Aan de andere kant dromden de Stemlozen samen en duwden de poort verder open. Vader Paddick riep dat ze terug moesten, maar zijn schreeuw ging snel over in een hoge gil en daarna niets meer. Een wachter sloeg alarm en een groepje kwam lutteloze seconden later aanrennen. Maar het was al te laat. De Stemlozen stroomden door de poort en verspreidden zich over het plein. Ze openden of forceerden elke deur die ze tegenkwamen. Het was vast niet zijn bedoeling geweest, maar vader Paddock had de Stemlozen een weg naar binnen gegeven. Ze hoefden niet meer te wachten.

Ik zocht in de menigte mijn zuster en vond haar. Onze blikken ontmoetten elkaar en vanaf dat moment was het me duidelijk. Vader Paddick had een goede keuze gemaakt. We moesten de Stemlozen verwelkomen. Dit waren onze mensen, ze hoorden hier. Waar waren we toch bang voor geweest? Terwijl ik de trap afdaalde hoorde ik kreten om me heen. Van angst of van verrukking? Ik wist het niet meer. De meeste kreten duurden niet erg lang, dus het zou vast goed zijn. Het zou allemaal goed komen.

Aan de voet van de trap kwamen onze paden bij elkaar. Mijn zuster was bij me teruggekeerd. Mijn geliefde zuster hoefde ik niet langer te missen. Haar uitgestrekte armen waren de enige uitnodiging die ik nodig had en lachend stapte ik op haar af. We zouden samen door de straten lopen, ze zou weer vals zingen en ik zou voor haar zorgen.

Dorst.

Te laat drong het woord tot me door. Te laat zag ik dat haar armen niet om mijn lichaam heen vouwden, maar haar hand richting mijn mond ging. Ik kokhalsde van de geur van haar hand, maar kon de reflex niet afmaken want de Stemloze duwde haar hand mijn keel in. Zuster. Ik kreeg geen lucht en probeerde me terug te trekken, maar haar andere hand duwde tegen mijn achterhoofd. Mijn zuster was lieflijk geweest, grappig en dromerig, maar nooit sterk. Deze Stemloze had de kracht van een smid. Ze duwde en duwde tot ik dacht dat ik flauw zou vallen. En toen trok ze. Ze scheurde iets los uit mijn keel en haalde haar hand terug uit mijn mond. Ik wilde schreeuwen van pijn en woede, maar er kwam geen geluid uit mijn keel.

Ze bracht haar hand, waar iets kleins met een oranje gloed kronkelde, naar haar mond. Ze slikte. En kreunde.

“Ein… de… lijk,” sprak de Stemloze met het gezicht van mijn zuster en het geluid van mijn stem.

Prompt draaide ze zich om en vertrok. Ik stond als versteend in de stilte. Langs me heen liepen de Stemlozen de poort uit. Nee. Niet langer Stemloos. Ze misten nog steeds een goede huid, leven en ongetwijfeld meer. Maar ze verlieten dit kasteel met een stem.

Ik sta op de stille muur en kijk in de richting waar ze heen zijn gegaan. Zuster? Ik tast om me heen om haar aanwezigheid te voelen. Ik krijg geen antwoord.

Illustratie door Joris van Beusekom

Kleine Wolf

Kleine Wolf

“De wolf vluchtte, maar hij had geen schijn van kans, want het wapen van de Grote Man knalde en de kogel doorboorde zijn schouder.”

Kleine Wolf beefde en kroop dichter tegen de zachte vacht van zijn moeder aan.

“Nog diezelfde avond liep de Grote Man rond met een wolvenvacht over zijn schouders en vanaf die dag noemde iedereen hem Jager. Want dat is de titel die de mensen geven aan de meest gewelddadige moordenaars.” Ze likte hem over zijn kop. “En dat is, mijn liefje, waarom je altijd goed verborgen moet blijven en nooit, nooit naar de bosrand mag gaan.”

Kleine Wolf jankte zachtjes en duwde zijn staart zo ver tussen zijn achterpoten als hij kon. Hij kende de regels. Wees stil als de maan. Eet geen prooi die niet meer warm is. Zoek de schaduwen op. En de belangrijkste, blijf zo ver mogelijk bij de mensen uit de buurt.

“Ik ga naar buiten, Kleine Wolf,” zei zijn moeder, “want het vlees is weer op.”

Kleine Wolf hield er niet van als zijn moeder naar buiten ging. Het was zo koud in zijn eentje in het hol en hij was bij elk geluidje bang dat het een mens was die hem uit zijn hol kwam roven. Zijn moeder had verteld dat hij zo snel mogelijk groot moest worden, zodat ze samen konden gaan lopen en de rest van hun familie terug konden vinden. Dus haalde zijn moeder steeds nieuw vlees en dat aten ze samen op. Kleine Wolf was al een heel stuk gegroeid en hij was al een paar keer zelf naar buiten gegaan, maar zijn moeder had hem terug naar binnen gestuurd. Hij was nog te klein, zei ze, en de mensen waren te gevaarlijk. Dus nu bleef Kleine Wolf in het hol en hield zich zo stil als de maan.

Het duurde lang voordat zijn moeder terugkwam met een lekkere haas. Ze schudde de sneeuw van haar vacht en duwde het eten met haar neus naar hem toe.

“Dit was het enige dat ik kon vinden, mijn liefje.” Ze keek hem aan. “Eet jij hem maar op. Morgen zal ik weer moeten gaan.”

Kleine wolf verscheurde enthousiast het vlees en hoorde nauwelijks wat zijn moeder zei. De haas was sappig, maar veel te snel op. Met zijn buikje goed gevuld viel hij in een diepe slaap en droomde dat hij door het bos rende en zelf een haas ving.

De volgende morgen kroop zijn moeder het hol uit en vond een dik pak sneeuw op de grond. Ze besnuffelde de lucht en kroop weer naar binnen.

“Het heeft gesneeuwd, kleintje,” zei ze. “Je moet echt in het hol blijven vandaag, anders kunnen mensen je sporen zien.”

Kleine Wolf legde gehoorzaam zijn kop op zijn poten en keek zijn moeder aan.

“Ik zal ver weg moeten gaan vandaag, misschien zelfs naar de bosrand.”

“De bosrand!” riep Kleine Wolf, “maar… maar daar zijn mensen!”

“Ik kan mij goed genoeg verstoppen. Geen enkele Jager zal me zien,” stelde zijn moeder hem gerust, maar Kleine Wolf jankte zachtjes, zelfs nadat zijn moeder zijn snuit en oren had gelikt.

Hij keek haar na toen ze het bos in liep en bleef kijken, lang nadat hij haar al niet meer kon zien. Hij wachtte. Zijn neus werd koud en zijn poten werden stijf, maar hij wachtte. Zijn mond werd droog en hij likte wat van de sneeuw die aan de rand van het hol lag. En hij wachtte. Hij tuurde tussen de bomen door en als hij hard genoeg tuurde, meende hij de wollige staart van zijn moeder te zien bewegen van boom naar boom.

Kleine Wolf schrok op toen hij harde knallen hoorde. Hij wist wat dit betekende. Mensen! In het bos! Kleine Wolf schoot diep het hol in en trilde over zijn hele lijf. Hij spitste zijn oren. Kwamen ze dichterbij? Hadden ze hem gevonden? Maar direct daarna kwam er een belangrijkere vraag in hem op. Waaróp hadden de mensen geschoten? Zijn moeder was daarbuiten!

Kleine Wolf rende het hol uit om zijn moeder te gaan helpen. Maar toen hij slechts een paar stappen buiten had gezet, klonk er weer een schot. Kleine Wolf kromp ineen en wist dat er niets was dat hij kon doen. Hij kon alleen maar hopen dat zijn moeder zich kon redden. Op dat moment haatte hij het dat hij nog zo klein was. Zijn moeder was er altijd om hem te beschermen, waarom kon hij hetzelfde niet terug doen? Hij beet hard op zijn tanden en dwong zichzelf om terug in het hol te gaan liggen. Hij gromde, al kon niemand hem horen. Hij hoopte zo hard als hij kon hopen dat hij zijn moeder naast zich zou vinden met een lekkere, dikke, warme ree.

Het was donker toen Kleine Wolf wakker werd. Koud. Hongerig. En vooral heel bang. Want zijn moeder was niet teruggekomen. Bij de ingang van het hol rook het sterk naar zijn moeder, maar de geur was niet vers. De maan scheen tussen de bomen door en Kleine Wolf huilde zo hard hij kon naar de maan, naar zijn moeder, naar de familie die ergens ver weg was maar hem misschien toch kon horen. Geen van hen huilde terug. Kleine Wolf was alleen. Hij huilde de rest van de nacht door, tot hij van uitputting weer in slaap viel. De volgende dag werd hij pas tegen de schemer wakker met buikpijn van de honger. Hij wist dat hij niet langer op zijn moeder kon wachten. Hij moest nu voor zichzelf gaan zorgen.

Hij had zijn moeder wel eens zien jagen. Luisteren, wachten, springen en rennen. Kleine Wolf probeerde het na te doen, maar elk muisje dat hij vond glipte vlak voor zijn tanden of zijn voorpoten weg. Pas aan het einde van de dag ving Kleine Wolf één klein muisje. Hij at het op in een hap en besloot te gaan slapen. Hij was doodmoe en had nog steeds buikpijn.

De volgende dag probeerde Jonge Wolf het opnieuw en nu leverde de jacht hem zeker drie kleine hapjes op. Maar hij werd zwak van de honger. Hij huilde zo lang en hard hij kon naar zijn moeder, maar ze gaf geen antwoord.

De dagen daarna werd Jonge Wolf steeds beter in jagen, maar hij moest steeds verder weg van het hol om prooi te vinden. Hij ving konijnen, eekhoorns, een grote haas en zelfs een keer een vosje, dat net zo mager was als hij. Want hoewel hij elke dag wel een paar dieren wist te vangen, bleef Jonge Wolf hongerig en mager. Hij was moe en verdrietig en bang dat hij tijdens de jacht mensen zou tegenkomen. Op een dag gebeurde precies dat.

Jonge Wolf moest steeds een beetje verder weg gaan van het hol om een prooi te vinden, zet zoals zijn moeder had gedaan. Hij liet sporen na in de nieuwe lagen sneeuw en op die ochtend stonden twee mensen bij zijn spoor. Een van hen knielde neer.

“Ik geloof niet dat dit van haar kan zijn, de sporen zijn vers.”

“Maar er zijn toch geen andere wolven in de buurt?” bracht de ander ertegenin.

“Tsja…” de man keek om zich heen.

Hij zei vast nog meer maar dat hoorde Jonge Wolf al niet meer, hij was hard weggerend. De volgende dagen zorgde hij ervoor dat hij juist de andere kant op liep om te gaan jagen.

Aan het eind van de winter smolt de sneeuw weg en Grote Wolf was gewend geraakt aan de pijn in zijn buik en zijn vermoeide poten. Hij liep op een morgen een lang stuk omdat hij dichterbij niets te eten kon vinden. Zijn tocht bracht hem ongemerkt bij de bosrand en langs een veld vol gele en blauwe bloemetjes: sneeuwklokjes, verschillende krokussen en zelfs een enkele narcis. Het kon Grote Wolf niet schelen, bloemetjes waren geen voedsel. Dwars door het bloemenveld liep een zandpad dat de mensen gebruikten en toen Grote Wolf dat pad zag, liet hij zichzelf meteen verdwijnen tussen de bomen. Zijn hart bonkte in zijn keel maar daarnaast hoorde hij nog iets, een geluid dat hij niet eerder had gehoord. Een mensenstem. Het klonk hoog en melodieus en lang niet zo eng als hij zich had voorgesteld.

“’k Ben niet bang voor de Boze Wolf, ‘k ben niet bang, ‘k ben niet bang…”

Grote Wolf keek langs een boom heen en wat hij zag verbaasde hem. Dit mens was klein. Kleiner dan hijzelf. Misschien was het nog niet volgroeid? Een jong. Zoals hij zelf een jong was toen ze zijn moeder doodden. Er ging geen dreiging uit van dit mens en hoewel de nekharen van Grote Wolf overeind gingen staan, wist hij dat hij het jong zou kunnen verslaan. Het vlees zou sappig smaken en het speeksel liep hem al in de mond. Maar dwars door zijn honger heen voelde Grote Wolf nu ook twee andere dingen. Nieuwsgierigheid naar dit kleine mens. En woede. De mensen hadden zijn moeder gedood, op haar gejaagd met hun knallende wapens en dat zou hij hun nooit vergeven. En hier was er dan een, eetbaar en onschadelijk. Hij kon wraak nemen. Misschien zou hij zelfs alle mensen een voor een verslinden en hun jongen ‘s nachts laten sidderen als ze aan hem dachten.

Grote Wolf wilde juist zijn prooi bespringen toen het mensenjong weer sprak.

“’k Zal eens zien of… of….” Even was het stil. “’k Zal eens zien of… Hè, hoe zei Grootmoeder nou toch dat het ging?”

Een Grootmoeder? Was dat een van de Grote Jagers? Grote Wolf keen om zich heen maar hij zag geen andere mensen. Voor de zekerheid wachtte hij tot het jonge mens langs hem was gelopen en sloop achter haar donkergele wapperende mantel aan, snuffelend om erachter te komen of hij meer mensengeuren kon vinden.

Hoewel hij stil was als de maan, draaide het mens zich om zodra hij een poot op het pad plaatste.

“O, goedemorgen,” klonk het hoge stemmetje.

Ze rende niet weg. Ze pakte geen wapen om op hem te schieten.

“Ahem. Goedemorgen,” sprak hij terug.

“Ik ben op weg naar mijn grootmoeder. Ze is ziek en ik ga haar wat lekkers brengen.”

Dat was interessant. De Grote Moeder was ziek en verzwakt? Grote Wolf wilde meer weten.

“Zo, dan ben je een zorgzaam jong.”

Hoog gelach kietelde zijn oren. “Een jongen? Nee hoor, ik ben een meisje.”

Wel, dat kon hij niet ruiken.

“Goed, meisje. Waar woont de Grote Moeder die nu zo ziek is?”

“In het kleine witte huisje aan het einde van dit pad. Het loopt over de brug, dan links bij de grote eiken en dan zie je het al bijna tussen de bomen staan.”

“Aha. Wel. En zijn er geen andere mensen bij haar?”

“Nee, niemand,” sprak het meisje, “daarom ga ik juist naar haar toe. Ze zal heel blij zijn met de koekjes en de wijn, denk je niet?”

“Vast wel. Goed, ik moest maar eens gaan.”

“En bloemen! Ze houdt ook heel veel van bloemen!” riep het meisje uit. “Zal ik…”

“Zeker doen!” moedigde Grote Wolf haar aan. Nu hij wist waar het meisje heen zou gaan, kon hij nog wel even wachten met haar op te eten. Hij had zijn zinnen nu gezet op de verzwakte Grote Jager. Dan kon hij zijn moeder eindelijk wreken.

Hij wenste het meisje nog een goede dag en raadde haar aan goed te zoeken naar de mooiste bloempjes, voor ze verder zou lopen.

Ze bukte zich om naar de bloempjes te kijken en hij haastte zich het pad af dat het meisje had beschreven. Hij vond het witte huisje snel en zijn neus vertelde hem dat er meerdere mensen hier waren geweest, maar die waren nu niet aanwezig. Er was er nu maar een. En die rook muf, oud en ziek. Met een soepele sprong liet hij zichzelf door het raam naar binnen. Daar vond hij de Grote Moeder in bed en zijn honger en wraaklust laaiden op. Hij verspilde geen seconde, gaf haar niet de tijd om een wapen te pakken, maar vrat haar op met huid en haar. Ze had nauwelijks de tijd om te gillen en dat was maar goed ook, want Grote Wolf wilde het meisje – zijn prooi die zelf naar hem toe kwam – niet verjagen.

Het oude mens was taai geweest, maar het was de grootste prooi die hij ooit gegeten had. Voldaan liet hij zich op het bed vallen waar ze zojuist nog had gelegen. Als hij eerder had geweten dat Grote Jagers zo makkelijk te verslaan waren, was hij er nooit zo bang voor geweest.

Niet veel later klonk er een zacht gerinkel van buiten het huis. Grote Wolf had geen idee wat het betekende, dus hij spitste zijn oren. Nog een keer klonk het gerinkel, gevolgd door een bekende stem.

“Grootmoeder? Bent u daar?”

“Ja,” zei Grote Wolf zo hoog als hij kon.

Het meisje duwde de deur open en schrok toen ze de wolf zag. Grote Wolf trok de deken op het bed hoog op, tot over zijn neus. Toen pas durfde het meisje dichterbij te komen.

“U bent wel erg ziek, denk ik, grootmoeder. U klinkt heel anders en u ziet er ook niet zo goed uit. Maar ik heb een mandje met lekkers meegenomen, dan knapt u vast gauw weer op.”

Grote Wolf zei niets. Het meisje kwam nieuwsgierig dichterbij.

“Maar grootmoeder, wat heeft u grote oren.”

“Dan kan ik jou beter horen.” Jou, en mijn andere prooien.

Het meisje dacht er even over na en knikte toen.

“Maar grootmoeder, wat heeft u grote ogen.”

“Dan kan ik je beter zien.” Jou, en alle andere gevaren.

Ze kwam nog dichterbij en trok de deken naar beneden.

“Maar grootmoeder, wat heeft u grote tanden!”

“Dan kan ik je beter opeten!” Jou, en alle andere mensen.

Met die woorden sprong Grote Wolf uit het bed. Hij greep met zijn klauwen het meisje beet en verslond haar in één grote hap.

Nog nooit in zijn leven had Grote Wolf zoveel gegeten. Nog nooit sinds zijn moeder was gedood had hij een moment gekend zonder de knagende honger die zijn buik deed rommelen. En nog nooit had Grote Wolf zich zo rozig en voldaan gevoeld. Dat bed met de warme deken van de Grote Moeder had zo lekker gelegen en Grote Wolf wilde niets liever dan even slapen. Zijn ogen heel even dichtdoen. Nauwelijks had hij zijn zware lijf het bed op gesleept of hij viel in een diepe slaap. Hij droomde van een gevecht tussen hem en een Grote Jager. Het begon als een spannend gevecht: de Grote Jager met zijn knallende wapen tegen Grote Wolf met zijn sterke klauwen en scherpe tanden. Maar Grote Wolf wist nu dat hij Jagers wel aan kon. Dat niet de mensen, maar hij zelf het gevaarlijkst was. Langzaam werd de Grote Jager kleiner en kleiner tot Grote Wolf hem onder een voorpoot verpletterde. In zijn droom gromde Grote Wolf en in zijn slaap gromde zijn lichaam mee.

Hij gromde zo hard, dat de Jager die juist voorbij het hutje van grootmoeder liep, het duidelijk kon horen. De Jager wist dat oude vrouwtjes vaak wel snurken, maar toch niet zó hard, dus hij besloot voor de zekerheid een kijkje te nemen. Door een kier in de gordijnen zag hij Grote Wolf in het bed van grootmoeder liggen en de Jager wist wat hem te doen stond. Terwijl de Wolf in een diepe slaap was, knipte hij de uitpuilende buik van het beest open. Hij was verbaasd toen hij naast het lichaam van grootmoeder, ook nog het lichaam van haar kleindochter vond. En nog verbaasder toen hij merkte dat het meisje nog ademde. Ze zat onder de krassen van de nagels van de Wolf. Ze was ook bewusteloos, maar ze ademde toch echt. Helaas kon hetzelfde niet worden gezegd van grootmoeder. De Jager wist hoe het dorp voorgoed verlost kon worden van het enge beest: hij vulde het grote gat in de buik van de wolf met zware stenen. Zo zou hij waarschijnlijk niet meer kunnen lopen, laat staan jagen. Toen dit nare karweitje klaar was, tilde hij voorzichtig de lichamen van grootmoeder en Roodkapje op en bracht hen terug naar het dorp.

Grote Wolf was door dit alles heen geslapen. Maar uiteindelijk werd hij wakker. En hij had buikpijn, ongelooflijk veel buikpijn, erger dan zijn honger ooit had gevoeld. Hij sleepte zichzelf het bed uit, het huisje uit, maar elke stap deed een vurige flits van pijn door zijn lijf gaan. Hij voelde en hoorde dingen schuren en bonken in zijn maag. Dat hoorde niet, wist hij diep van binnen. Hij liet zijn neus langs zijn buik gaan en merkte de lange snee op die zijn hele lijf volgde. Hij likte eraan en proefde bloed. Nog een paar wankele stappen kon hij zetten, maar toen liet hij zich zo zacht mogelijk neerploffen op de grond. Voor zijn geestesoog verscheen zijn moeder. Ze liep naar hem toe en het beeld werd scherper. Ze besnuffelde hem.

“O, mijn Kleine Wolf, wat heb je gedaan?”

“Ik heb een Jager verslonden, moeder,” hijgde Grote Wolf.

Zijn moeder besnuffelde hem verder en likte aan zijn wond. Ze jankte zachtjes.

“O, mijn zoon, een mens is je te slim af geweest. Ik heb je toch altijd gezegd dat je ver bij de mensen vandaan moet blijven?”

Grote Wolf was blij de stem van zijn moeder te horen, maar wat ze zei hoorde hij nauwelijks.

“Ik heb wraak genomen omdat de mensen jou hebben gedood. Maar nu heb ik zo’n buikpijn…”

“Mij gedood? Nee, lieve zoon, dat hebben de mensen niet. Ik ben hier. Die koude winterdag dat ik ver weg moest gaan om eten voor ons te zoeken, kwam ik met mijn poot terecht in een klem van een Jager, die mijn poot brak. Ik kon niet ontsnappen en door de kou raakte ik buiten bewustzijn. Ik zou vast zijn doodgevroren als ik niet was gevonden door twee aardige mensen die voor me zorgden en mijn pot hielpen genezen. Ze lieten me gaan toen ik weer goed kon lopen en sinds die tijd ben ik op zoek naar jou. Maar ik ben te laat gekomen.”

Grote wolf hoorde slechts dat zijn moeder over mensen praatte. “Ik kan je beschermen tegen de mensen.”

Zijn moeder keek hem even aan en jankte weer. Ze wist dat ze niets meer kon doen voor haar zoon, dus ging ze naast hem op de grond liggen om zijn stervende lichaam warm te houden. Nog een paar keer hoorde ze hem dingen mompelen.

Zijn lijf begon te trillen.“De winter is zo koud.”

Hij sloot zijn ogen. “De Grote Moeders zijn het gevaarlijkst.”

Een enkele traan kwam tussen zijn oogleden door. “Ik heb elke avond om je gehuild.”

Zijn mond zakte open. “Ik zou wel een knallend wapen kunnen eten.”

Zijn poten verslapten en zijn ademhaling werd steeds oppervlakkiger. Tot hij ineens een diepe zucht slaakte.

Met zijn allerlaatste adem sprak Grote Wolf: “Ren moeder, voordat de Jager ons vindt.”

Over De behulpzame buur:

Mevrouw kruiten heeft een rustige dag voor de boeg, tot ze ziet wat er in het huis van de overburen plaatsvindt. Ze besluit haar overbuurvrouw te helpen zo goed als ze kan, ondanks haar hoge leeftijd en pijnlijke enkel.

Literair Café Venray

Over In Dromen Gevangen:

In het huis aan de voet van de heuvel woont de weefster. ‘s Nachts weeft zij kleden voor haar dochters die niets te maken hebben met mode of verkoop. Samen bewaken ze een groot geheim, tegen een hoge prijs. Vele levens komen op het spel te staan als ze die prijs niet meer kunnen betalen.

Phoenix Books

Gebruikte foto’s van Unsplash.com

Engin Akyurt  Monster Johanna Jordan  Viool Joshua Freake  Alleen

Clever Visuals  Veer Andy Holmes  Kerstlichtjes Sarandy Westfall  Herinneringen

Wil je op de hoogte blijven van mijn verhalen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief!

Ik stuur je ongeveer een keer in de maand een update.