Categorie: Verhaal

Het geluid van haar stem

Het geluid van haar stem

Dag een

Ze kwamen in stilte naar het kasteel. Twee, een paar tientallen en uiteindelijk honderden. Ik stond samen met Joss op de kasteelmuur en telde ze. Ze liepen over het strand, kwamen strompelend tussen de bomen vandaan en een van de boogschutters beweerde dat er twee over het water kwamen aanlopen. Ze omsingelden de heuvel en stonden daar maar, wiegend in de wind.

Een van de Stemlozen keek me recht aan. Zelfs op deze afstand wist ik dat zeker. Ik streek mijn duim over mijn voorhoofd om onheil af te weren. Ik ken jou. Alsof de Stemloze naast me stond en in mijn oor fluisterde, zo duidelijk hoorde ik de stem in mijn hoofd. Ik herinner me jou.

Ik schudde wild met mijn hoofd. Nee, ze kende mij niet. Ze leek niet echt zoveel op mijn zuster, dat was gezichtsbedrog.

“Wat doe je?” vroeg Joss.

“Niets.” Mijn hart klopte niet in mijn keel. Mijn handen waren niet klam. “Een mug. Rotbeesten.” Ik wapperde rond om een punt te maken.

Ik lag wakker in mijn bed. De woorden echoden in mijn hoofd als een opgeluchte zucht. Ik miste het geluid van de stem van mijn zus. Het horen van deze stemloze was een schok die ik niet kwijt kon raken. Ik ken jou. Ik ken jou. Ik ken jou. Voor de lucht grijs kleurde stond ik op, sloeg een mantel om en liep naar de kasteelmuur. Een ongelukkige wachter schrok op toen hij mij aan hoorde komen.

“Vrouwe,” knikte hij en liet me begaan.

De lichamen van de Stemlozen staken af tegen het donker door een paarse gloed van binnenuit. Ze waren dood, allemaal, dus wat leefde er in hen dat zulk onnatuurlijk licht kon voortbrengen?

Zuster? Ik stelde mezelf voor hoe mijn stemgeluid over de muur, door de lucht, bij haar aan zou komen. Marnion? Geen antwoord. Natuurlijk niet. Waarom was ik hier gekomen? Was ik gek geworden? Misschien was ik dat het afgelopen jaar steeds geweest. Sinds de dag dat ze verongelukte. Het was niet mijn zus die daar stond, zei ik tegen mezelf. De Stemlozen betekenden niets dan onheil, een kwade magie of een straf van de goden. Het was niet mijn zus. Ik draaide weg van de duisternis om nog een poging tot slapen te gaan doen.

Zuster.

Mijn hart stond even stil. Ik reikte opnieuw naar haar. Marnion? Hoe kan ik helpen?

Dorst.

Dorst? Wat bedoelde Marnion? Waar konden doden dorst naar hebben? Ik zag een paar wachters om me heen verward om zich heen kijken, hun hoofd schudden. Alsof ze een stem hoorden die er niet kon zijn.

Dag drie

De hitte van de namiddag versterkte de zware geur van verrotting. We hadden naar binnen kunnen gaan om iets frissere lucht op te zoeken, maar we stonden al bijna de hele dag op de muur.

“De oudste Stemlozen zijn het minst erg, weet je?” vroeg Joss.

“Wat?”

“Nou, als er nog maar heel weinig over is van een lichaam, zoals die daar, dan is er ook niet zoveel dat stinkt.” De Stemloze waar hij naar wees miste een arm en een deel van zijn romp en zag er zwart en verschrompeld uit. Het lichaam daarnaast was opgezwollen en bleek en droeg nog duidelijk de tekenen van de zwangerschap waarbij ze waarschijnlijk omgekomen was. Sommigen grijnsden door lang vergane wangen. Sommigen droegen de sporen van hun dood nog mee in de vorm van gapende wonden of ouderdom. Daarbij waren er nog nieuwe verwondingen, toegebracht door de wachters. Pijlen staken uit hun lijven, maar dat leek hen niet te deren.

“Waarom noemen we ze Stemlozen?” vroeg ik.

Joss haalde zijn schouders op. “Omdat ze geen stem hebben, natuurlijk.”

“We hadden ze Pijnlozen kunnen noemen. Doden. Spraaklozen. Gloeienden. Langzamen.”

“We noemen ze Stemlozen. Wat maakt het uit?”

Mij maakte het uit. Iemand had deze naam bedacht. Wie? En waarom?

De kring van Stemlozen leek elke dag een stukje dichter bij het kasteel te staan. Dichter bij de poorten. Sommigen van ons hoorden de gezuchte woorden van een Stemloze, maar we spraken er niet over. Ik weet niet hoeveel anderen probeerden terug te praten, zoals ik deed. Wel zag ik velen met een duim over hun voorhoofd strijken.

Dag vier

“Wij weten niet wie jullie zijn of wat jullie willen. Hebben jullie een bericht voor ons?” Heer Sallem was hoogstpersoonlijk op de muur gekomen om de Stemlozen toe te spreken.

Stilte volgde op zijn woorden.

“Weet dan, als jullie mij kunnen begrijpen, dat ik geen geweld tegen mijn mensen tolereer. Weet dat wij zullen vechten als jullie proberen binnen deze muren te komen. Weet dat wij genoeg water, voedsel en wapens hebben om hier rustig te kunnen blijven zitten terwijl jullie… terwijl jullie wegrotten.”

Het was geen hoogdravende toespraak. Ook heer Sallem had de doden nooit eerder zien terugkomen. Later die dag maakten de Stemlozen ruimte vrij rondom de hoofdpoort en de kleine poort naar het strand. Als een erehaag stonden ze bij de ingang. Wachtend.

Dag zes

Op bevel van Sallem gaven de cipiers onze gevangenen een keuze: hun vrijheid terug als ze door de poort zouden lopen. Van de negen stemde één in.

Ik dacht dat ik flauw zou vallen met al die drukkende lichamen om mee heen op de volle muren. Joss probeerde me wat ruimte te geven, maar iedereen hing naar voren toen de poort opende. Een kiertje maar, met de sterkste soldaten erachter om snel in te kunnen grijpen. De gevangene schuifelde naar buiten. De Stemlozen bleven staan en keken naar de poort. Vier stappen voorbij de laatste Stemloze zette hij het op een rennen. Als hij het dorp verderop verteld heeft wat er hier speelde, hebben zij gekozen om niet te komen helpen.

Later meldden twee gevangenen zich aan en ook een oude vrouw die een ziek familielid wilde bezoeken.

Dag negen

Het hele kasteel leek langzaam een ingehouden adem te laten ontsnappen. Ik wende zelfs aan de stem. Dorst. Ik kan het niet zeggen. Ik ken jou. Zuster. Een deel van mij verlangde ernaar haar in mijn armen te sluiten, rottend vlees of niet. Dood of niet. Ze klonk als mijn zuster, ze zag eruit als mijn zuster. Hoe kon ik haar dan daar laten staan? Maar een ander deel kreeg kippenvel bij de gedachte. We hadden haar begraven.

Ik mis je, Marnion.

Zuster.

Ben je haar echt?

Ik ken jou.

Ik miste haar hoge lach, haar valse gezang en haar plagende rijmpjes. Niets van die dingen hoorde ik terug in het gefluister van de Stemloze die zoveel op mijn zus leek.

Dag elf

Alles went, de geur van rotting en ook elke ochtend vroeg op de muur staan.

Marnion. Waarom ben je hier?

Dorst. De enige verklaring die ze gaf. De Stemlozen lieten de neergelaten vaten water en fruit met rust. Ze reageerden niet op muziek, lieten hun handen langs hun lichaam hangen tijdens het heilige uur en hadden de vijf mensen die nu waren vertrokken laten gaan. Ze wachtten nog steeds.

Ineens trok er een golf van activiteit door de stille lichamen. Ze draaiden naar de zijpoort toe. Waar vader Paddick zijn hoofd door stak. Ik keek aan de andere kant van de muur. Er stonden geen wachters achter hem, niemand om de poort dicht te duwen. Aan de andere kant dromden de Stemlozen samen en duwden de poort verder open. Vader Paddick riep dat ze terug moesten, maar zijn schreeuw ging snel over in een hoge gil en daarna niets meer. Een wachter sloeg alarm en een groepje kwam lutteloze seconden later aanrennen. Maar het was al te laat. De Stemlozen stroomden door de poort en verspreidden zich over het plein. Ze openden of forceerden elke deur die ze tegenkwamen. Het was vast niet zijn bedoeling geweest, maar vader Paddock had de Stemlozen een weg naar binnen gegeven. Ze hoefden niet meer te wachten.

Ik zocht in de menigte mijn zuster en vond haar. Onze blikken ontmoetten elkaar en vanaf dat moment was het me duidelijk. Vader Paddick had een goede keuze gemaakt. We moesten de Stemlozen verwelkomen. Dit waren onze mensen, ze hoorden hier. Waar waren we toch bang voor geweest? Terwijl ik de trap afdaalde hoorde ik kreten om me heen. Van angst of van verrukking? Ik wist het niet meer. De meeste kreten duurden niet erg lang, dus het zou vast goed zijn. Het zou allemaal goed komen.

Aan de voet van de trap kwamen onze paden bij elkaar. Mijn zuster was bij me teruggekeerd. Mijn geliefde zuster hoefde ik niet langer te missen. Haar uitgestrekte armen waren de enige uitnodiging die ik nodig had en lachend stapte ik op haar af. We zouden samen door de straten lopen, ze zou weer vals zingen en ik zou voor haar zorgen.

Dorst.

Te laat drong het woord tot me door. Te laat zag ik dat haar armen niet om mijn lichaam heen vouwden, maar haar hand richting mijn mond ging. Ik kokhalsde van de geur van haar hand, maar kon de reflex niet afmaken want de Stemloze duwde haar hand mijn keel in. Zuster. Ik kreeg geen lucht en probeerde me terug te trekken, maar haar andere hand duwde tegen mijn achterhoofd. Mijn zuster was lieflijk geweest, grappig en dromerig, maar nooit sterk. Deze Stemloze had de kracht van een smid. Ze duwde en duwde tot ik dacht dat ik flauw zou vallen. En toen trok ze. Ze scheurde iets los uit mijn keel en haalde haar hand terug uit mijn mond. Ik wilde schreeuwen van pijn en woede, maar er kwam geen geluid uit mijn keel.

Ze bracht haar hand, waar iets kleins met een oranje gloed kronkelde, naar haar mond. Ze slikte. En kreunde.

“Ein… de… lijk,” sprak de Stemloze met het gezicht van mijn zuster en het geluid van mijn stem.

Prompt draaide ze zich om en vertrok. Ik stond als versteend in de stilte. Langs me heen liepen de Stemlozen de poort uit. Nee. Niet langer Stemloos. Ze misten nog steeds een goede huid, leven en ongetwijfeld meer. Maar ze verlieten dit kasteel met een stem.

Ik sta op de stille muur en kijk in de richting waar ze heen zijn gegaan. Zuster? Ik tast om me heen om haar aanwezigheid te voelen. Ik krijg geen antwoord.

Illustratie door Joris van Beusekom

De Jager en de Harpleeuwerik

De Jager en de Harpleeuwerik

Lang geleden leefde er in een klein dorpje aan de rand van een groot bos een jager. Hij was de beste jager van het hele land. Geen hert kon aan zijn pijlen ontkomen, menig everzwijn had zijn laatste adem uitgeblazen door zijn toedoen en hij droeg een veer op zijn hoed van elke vogelsoort uit het bos. Elke vogelsoort… behalve één.

De harpleeuwerik woonde diep in het woud. Hoewel zijn verendek opvallend was, met felblauwe punten aan de vleugels en een lange, goudoranje staart, had bijna niemand de vogel ooit gezien. Zelfs de mensen die zich vaker in het diepe woud bevonden, konden de vogel niet beschrijven. De harpleeuwerik kon met zijn gezang namelijk mensen betoveren en ze hypnotiseren zodat ze pardoes omkeerden en terugliepen.

De jager had de harpleeuwerik al vaak gehoord en één keer zelfs een glimp opgevangen van zijn blauwe en goudoranje veren, maar hij had nog nooit een harpleeuwerik kunnen vangen.

Op een dag liep de jager weer door het diepe woud. Hij dacht aan hoe graag hij een harpleeuwerik wilde vangen en hoe mooi een staartveer op zijn hoed zou staan. Hoe graag hij het wilde. Hoe mooi het zou zijn. Zó diep in gedachten liep de jager rond dat hij het gefluit van de vogel niet eens opmerkte. Toen hij het eindelijk hoorde was het al te laat en liep hij gehypnotiseerd het bos uit.

De volgende dag verliep net zo, want nu wilde de jager nóg liever de vogel vangen. Ook deze dag dacht de jager alleen maar diep na en hoorde hij de harpleeuwerik niet zingen. Ook deze dag liep hij het bos zomaar weer uit.

Toen bedacht de jager iets slims. Hij kneedde een beetje was tot het zacht was en stopte een stukje in zijn oren. Zo zou hij het hypnotiserende gefluit niet horen en zou hij eindelijk de harpleeuwerik kunnen vangen. De volgende dag sloop hij langzaam het bos in – extra voorzichtig omdat hij zelf niet kon horen als hij een takje brak of op een andere manier geluid maakte.

In het diepst van het woud nam de jager zijn boog van zijn schouder en legde een pijl aan. Hij keek aan alle kanten om zich heen en sloop stap voor stap verder. Hij keek links en rechts, voor en achter, hoog en laag… en daar, op een hoge tak van een dikke eik zag hij de vogel zitten. Hij zag het blauw van de vleugels en de goudoranje staart. De vogel was prachtig. De jager richtte zijn pijl en keek langs de schacht recht naar de vogel. Hij kon zien dat de vogel floot en zenuwachtig op zijn tak heen en weer wipte, omdat dit duidelijke gevaar niet wegliep, zoals alle anderen. De jager hield zijn adem in. Hij trok één vinger los van de boogpees. Maar niet de andere. Hij keek naar de harpleeuwerik. De vogel keek terug. Zo bleven ze een hele tijd staan.

Uiteindelijk zuchtte de jager en ontspande zijn boog. Hij kon het niet. Met de was nog in zijn oren ging hij tegen een boom zitten en dacht na over wat er gebeurd was. Hij, die al zoveel dieren had gedood, die de beste jager van het land was en die een veer van elke vogelsoort uit het bos op zijn hoed droeg, had vandaag niet geschoten. Hij wist dat hij de harpleeuwerik had kunnen raken. Dus waarom had hij het niet gedaan?

Vanuit zijn ooghoek zag de jager iets blauws. Hij keek en zag dat de vogel naar een lagere tak was gevlogen. De harpleeuwerik was echt het mooiste dier dat hij ooit had gezien. Nog even later vloog de vogel zelfs naar de grond en bleef daar even zitten. Hij bekeek de jager nieuwsgierig en de jager realiseerde zich dat de harpleeuwerik ook nog nooit een mens van dichtbij had gezien. Nu de jager wist dat hij nooit op een harpleeuwerik kon schieten en hij de vogel goed had kunnen zien, haalde hij de stukjes was uit zijn oren. Hij vond het nu niet meer erg als hij gehypnoteseerd zou worden door het gezang van zo’n mooie vogel.

De harpleeuwerik bleef nog even zitten en fladderde toen weg. Waar hij zojuist had gezeten lag er een prachtige, lange, goudoranje staartveer op de grond. De jager pakte de veer op en nam hem mee naar huis. Daar haalde hij een voor een alle veren van zijn hoed af en stak alleen de goudoranje staartveer er op.

Hij vertelde nooit aan iemand zijn geheim van de was. Hij vertelde nooit aan iemand dat hij de vogel niet gevangen had. En hij vertelde nooit aan iemand waarom hij kort daarna zijn boog verkocht en als troubadour het land door trok.

Eeuwige Dorst

Eeuwige Dorst

Thomas wist al sinds het moment dat zijn eerste coherente, zelfbewuste gedachte in zijn hoofd verscheen – het jaar was 1726 en Thomas, toen nog luisterend naar de naam Cornelis, was 6 jaar oud – dat hij de emoties van anderen in zijn nabijheid nodig had om zich te voeden.

Voedsel at hij, om straf van zijn vader te ontlopen en niet omdat zijn lichaam zelf het nodig had. Hij voedde zich liever met de ongerustheid van zijn moeder en de boosheid van zijn vader wanneer hij ervoor koos om niet te eten. Zijn achterwerk was het echter niet geheel eens met dat sentiment en dus at Cornelis zijn bord leeg, net traag genoeg om lichte irritatie op te wekken.

Hij speelde graag met zijn broertje en zusjes of met vriendjes uit de straat: de vreugde die spel hen bracht was voor hem een smakelijke maaltijd die nooit zwaar op de maag lag. Zodra het spel over de zenit van plezier heen was, was het steevast Cornelis die chaos en venijn tussen de kinderen inbracht.

Na zijn ontsluierende inzicht in zijn eigen systeem trok onze protagonist de conclusie dat er een duivel danwel demon bezit van hem had genomen en zijn ziel eerst verteerd zou worden door de beheersende geest en daarna voor eeuwig zou branden in het hellevuur. Nachtmerries volgden tot hij, wegkwijnend door angst en slaaptekort, zijn moeder fluisterend smeekte om een biechtvader erbij te halen. Wat ze prompt deed. De priester hoorde hem aan maar vatte zijn relaas op als een delier, veroorzaakt door voedseltekort en koorts. Hij raadde de verwarde ouders aan om hun zoon een paar dagen flink stevige pap en stamppot te laten eten.

Cornelis leerde omgaan met zijn zielsangst en functioneerde, van buitenaf bezien, als een gezonde jongeling. Zijn ouders waren zelfs licht verrast toen hij aankondigde het klooster in te willen. Het was voor hem een poging om in het reine te komen met het gitzwarte roet dat zijn bestaan bevlekte, maar hoe kon hij hen dat ooit uitleggen? Ze lieten hem gaan. Toen Cornelis in 1739, aan het eind van zijn noviciaat werd gevraagd zijn geloften af te leggen, verliet hij het klooster zonder antwoorden en existentieel uitgedroogd. De tijd in het klooster had hem wel gelegenheid geboden om bij zichzelf te rade te gaan wat hij nu eigenlijk van zijn leven verlangde, gezien zijn uitzonderlijke dispositie.

Cornelis meldde zich aan als soldaat en vocht hartstochtelijk in menig veldslag, vaak met een dronken euforie in het strijdgewoel die zijn krijgsmakkers in gelijke mate inspireerde en verontrustte. Nu eens tegen de Pruisen, dan tegen de Engelsen, Fransen of Beieren liet de jonge man zich meevoeren met de geruststellende gedachte dat in al deze woelige stormen van affecten hij wel onoverwinnelijk moest zijn. Die enkele keer dat een kogel of steekwapen zijn lichaam schade berokkende, zoog hij alle wanhoop, woede, doodsangst en spijt van zijn kameraden en vijanden op totdat de wonden zich vanzelf sloten. Het was niet dat hij de andere soldaten hun ellende gunde, een misantroop was of een sadist, het was puur de levenskracht die hem vervulde die hem de naam gaf plezier te hebben in het lijden van anderen. Hij wisselde regelmatig van compagnie of zelfs van bataljon zodat hij al te ingewikkelde vragen kon vermijden. Los van de vragen over zijn gemoedstoestand op het veld omvatte dat ook vragen over zijn eetpatroon en vragen over zijn leeftijd. Immers, na zo’n 98 jaar op de aarde rond te hebben gelopen, zag hij er nog steeds uit als een jonge vent. Toch voelde hij zelf dat hij de jaren meedroeg. Ondanks het persona dat hij om zich heen had opgebouwd ging de ellende en het verlies in een oorlog hem niet in de koude kleren zitten. Hij zegde zijn soldatenbestaan dan ook vaarwel halverwege de Belgische Revolutie, inmiddels onder de naam Gerrit, met de respectabele leeftijd van 110 jaar.

Gerrit bezocht enthousiast operettes, melodramatisch theater en circussen, werkte kortstondig als schout en als bordeelhouder, maar niets kon hem lang interesseren. Hij stond bekend in zijn omgeving als een waaghals en een ruziezoeker, hoewel hij er altijd voor wist te zorgen dat hij zelf buiten het gevecht bleef. Hoewel menselijk voedsel geen noodzaak was om de vitale organen van zijn lichaam in hun energie te voorzien, schuwde Gerrit alcoholische intoxicatie niet. Hij maakte late avonden in de huiskamerkroeg in zijn straat en op een van die avonden ving hij een gesprek op over een expeditie die binnenkort zou vertrekken naar Afrika, om contact te leggen met onontdekte inheemse bevolkingsstammen en waar mogelijk ook nieuwe zieltjes te winnen voor het christendom. Met nog altijd een overweldigende angst voor de gevolgen van zijn bestaan na zijn overlijden, leek dit Gerrit een uitgelezen kans om wat er over was van zijn eigen ziel te redden. Hij had geen idee hoelang hij nog in dit bestaan zou rondlopen – zijn inmiddels sterk gedateerde lichaam vertoonde nog altijd geen sporen van ouderdom – maar hij vermoedde dat er toch een dag zou komen dat hij zich aan de hemelpoort zou moeten verantwoorden. Hij zocht een contactpersoon op, blufte zich door een vragenvuur heen en werd aangenomen als Afrika-deskundige op deze missie.

Hij verwachtte verlichting te voelen van zijn zware hart, zo niet door de morele consequenties van zijn zendingswerk als wel door de frisse smaken van exotische gemoedstoestanden, maar zijn verwachting werd niet vervuld. Menselijke sentimenten en stemmingen bleken mondiaal universeel en hoewel zijn gezelschap meerdere hoofdmannen en zelfs een medicijnman wist te bekeren, voelde Gerrit zich nadien niet anders. Toch besloot hij bij terugkomst in 1848 om meer van dergelijke tochten te ondernemen, omdat de belevenissen onderweg, en vooral het effect op zijn kompanen, zijn dorst voldoende leste. Daarnaast bracht het ontdekken van nieuwe culturen en gebruiken vooral een welkome afwisseling. Humanitaire hulpverlening kwam intussen in zwang en er werden weinig vragen gesteld aan vrijwillige participanten. Rampen waren er te over. Gerrit wisselde in anderhalve eeuw nog diverse malen van aanspreeknaam. Hiervoor was het in toenemende mate nodig om zich te bekwamen in het vervalsen van persoonsgegevens, een vaardigheid die hij zorgvuldig bijhield. Toch was elke naamsverandering een nieuwe trede in de ontkoppeling van zijn identiteit en gehechtheid aan het leven.

Ergens in de afgelopen jaren had hij zich het persona Thomas aangemeten, een tobbende jonge man die rustig in een hoek zat van een sportcafé tijdens de belangrijke wedstrijden, meeliep in eender welke demonstratie, zich oplaadde bij elke horrofilm en wist dat het tijd werd om een bruiloft te verlaten bij het horen van zijn signaal: “Wacht, ik dacht dat hij van jouw kant was?”

Veel meer dan dat had hij niet. Thomas was moe tot in zijn botten, hij wilde na 295 jaar wel eens met pensioen. Hij kende de grote ellende van het leven door en door, alsook de kleine geneugten. Hij wenste rustig in een comfortabele stoel te kunnen zitten en met kleine teugjes goede gesprekken te voeren. Het werd tijd dat mensen eens naar hem toekwamen om hem te voeden met hun affecten, in plaats van dat hij overal op zoek moest gaan. Het werd tijd voor een rustige fase voor een emotievampier. En met die gedachte kreeg Thomas een nieuw idee.

Hij werd therapeut.

Kleine Wolf

Kleine Wolf

“De wolf vluchtte, maar hij had geen schijn van kans, want het wapen van de Grote Man knalde en de kogel doorboorde zijn schouder.”

Kleine Wolf beefde en kroop dichter tegen de zachte vacht van zijn moeder aan.

“Nog diezelfde avond liep de Grote Man rond met een wolvenvacht over zijn schouders en vanaf die dag noemde iedereen hem Jager. Want dat is de titel die de mensen geven aan de meest gewelddadige moordenaars.” Ze likte hem over zijn kop. “En dat is, mijn liefje, waarom je altijd goed verborgen moet blijven en nooit, nooit naar de bosrand mag gaan.”

Kleine Wolf jankte zachtjes en duwde zijn staart zo ver tussen zijn achterpoten als hij kon. Hij kende de regels. Wees stil als de maan. Eet geen prooi die niet meer warm is. Zoek de schaduwen op. En de belangrijkste, blijf zo ver mogelijk bij de mensen uit de buurt.

“Ik ga naar buiten, Kleine Wolf,” zei zijn moeder, “want het vlees is weer op.”

Kleine Wolf hield er niet van als zijn moeder naar buiten ging. Het was zo koud in zijn eentje in het hol en hij was bij elk geluidje bang dat het een mens was die hem uit zijn hol kwam roven. Zijn moeder had verteld dat hij zo snel mogelijk groot moest worden, zodat ze samen konden gaan lopen en de rest van hun familie terug konden vinden. Dus haalde zijn moeder steeds nieuw vlees en dat aten ze samen op. Kleine Wolf was al een heel stuk gegroeid en hij was al een paar keer zelf naar buiten gegaan, maar zijn moeder had hem terug naar binnen gestuurd. Hij was nog te klein, zei ze, en de mensen waren te gevaarlijk. Dus nu bleef Kleine Wolf in het hol en hield zich zo stil als de maan.

Het duurde lang voordat zijn moeder terugkwam met een lekkere haas. Ze schudde de sneeuw van haar vacht en duwde het eten met haar neus naar hem toe.

“Dit was het enige dat ik kon vinden, mijn liefje.” Ze keek hem aan. “Eet jij hem maar op. Morgen zal ik weer moeten gaan.”

Kleine wolf verscheurde enthousiast het vlees en hoorde nauwelijks wat zijn moeder zei. De haas was sappig, maar veel te snel op. Met zijn buikje goed gevuld viel hij in een diepe slaap en droomde dat hij door het bos rende en zelf een haas ving.

De volgende morgen kroop zijn moeder het hol uit en vond een dik pak sneeuw op de grond. Ze besnuffelde de lucht en kroop weer naar binnen.

“Het heeft gesneeuwd, kleintje,” zei ze. “Je moet echt in het hol blijven vandaag, anders kunnen mensen je sporen zien.”

Kleine Wolf legde gehoorzaam zijn kop op zijn poten en keek zijn moeder aan.

“Ik zal ver weg moeten gaan vandaag, misschien zelfs naar de bosrand.”

“De bosrand!” riep Kleine Wolf, “maar… maar daar zijn mensen!”

“Ik kan mij goed genoeg verstoppen. Geen enkele Jager zal me zien,” stelde zijn moeder hem gerust, maar Kleine Wolf jankte zachtjes, zelfs nadat zijn moeder zijn snuit en oren had gelikt.

Hij keek haar na toen ze het bos in liep en bleef kijken, lang nadat hij haar al niet meer kon zien. Hij wachtte. Zijn neus werd koud en zijn poten werden stijf, maar hij wachtte. Zijn mond werd droog en hij likte wat van de sneeuw die aan de rand van het hol lag. En hij wachtte. Hij tuurde tussen de bomen door en als hij hard genoeg tuurde, meende hij de wollige staart van zijn moeder te zien bewegen van boom naar boom.

Kleine Wolf schrok op toen hij harde knallen hoorde. Hij wist wat dit betekende. Mensen! In het bos! Kleine Wolf schoot diep het hol in en trilde over zijn hele lijf. Hij spitste zijn oren. Kwamen ze dichterbij? Hadden ze hem gevonden? Maar direct daarna kwam er een belangrijkere vraag in hem op. Waaróp hadden de mensen geschoten? Zijn moeder was daarbuiten!

Kleine Wolf rende het hol uit om zijn moeder te gaan helpen. Maar toen hij slechts een paar stappen buiten had gezet, klonk er weer een schot. Kleine Wolf kromp ineen en wist dat er niets was dat hij kon doen. Hij kon alleen maar hopen dat zijn moeder zich kon redden. Op dat moment haatte hij het dat hij nog zo klein was. Zijn moeder was er altijd om hem te beschermen, waarom kon hij hetzelfde niet terug doen? Hij beet hard op zijn tanden en dwong zichzelf om terug in het hol te gaan liggen. Hij gromde, al kon niemand hem horen. Hij hoopte zo hard als hij kon hopen dat hij zijn moeder naast zich zou vinden met een lekkere, dikke, warme ree.

Het was donker toen Kleine Wolf wakker werd. Koud. Hongerig. En vooral heel bang. Want zijn moeder was niet teruggekomen. Bij de ingang van het hol rook het sterk naar zijn moeder, maar de geur was niet vers. De maan scheen tussen de bomen door en Kleine Wolf huilde zo hard hij kon naar de maan, naar zijn moeder, naar de familie die ergens ver weg was maar hem misschien toch kon horen. Geen van hen huilde terug. Kleine Wolf was alleen. Hij huilde de rest van de nacht door, tot hij van uitputting weer in slaap viel. De volgende dag werd hij pas tegen de schemer wakker met buikpijn van de honger. Hij wist dat hij niet langer op zijn moeder kon wachten. Hij moest nu voor zichzelf gaan zorgen.

Hij had zijn moeder wel eens zien jagen. Luisteren, wachten, springen en rennen. Kleine Wolf probeerde het na te doen, maar elk muisje dat hij vond glipte vlak voor zijn tanden of zijn voorpoten weg. Pas aan het einde van de dag ving Kleine Wolf één klein muisje. Hij at het op in een hap en besloot te gaan slapen. Hij was doodmoe en had nog steeds buikpijn.

De volgende dag probeerde Jonge Wolf het opnieuw en nu leverde de jacht hem zeker drie kleine hapjes op. Maar hij werd zwak van de honger. Hij huilde zo lang en hard hij kon naar zijn moeder, maar ze gaf geen antwoord.

De dagen daarna werd Jonge Wolf steeds beter in jagen, maar hij moest steeds verder weg van het hol om prooi te vinden. Hij ving konijnen, eekhoorns, een grote haas en zelfs een keer een vosje, dat net zo mager was als hij. Want hoewel hij elke dag wel een paar dieren wist te vangen, bleef Jonge Wolf hongerig en mager. Hij was moe en verdrietig en bang dat hij tijdens de jacht mensen zou tegenkomen. Op een dag gebeurde precies dat.

Jonge Wolf moest steeds een beetje verder weg gaan van het hol om een prooi te vinden, zet zoals zijn moeder had gedaan. Hij liet sporen na in de nieuwe lagen sneeuw en op die ochtend stonden twee mensen bij zijn spoor. Een van hen knielde neer.

“Ik geloof niet dat dit van haar kan zijn, de sporen zijn vers.”

“Maar er zijn toch geen andere wolven in de buurt?” bracht de ander ertegenin.

“Tsja…” de man keek om zich heen.

Hij zei vast nog meer maar dat hoorde Jonge Wolf al niet meer, hij was hard weggerend. De volgende dagen zorgde hij ervoor dat hij juist de andere kant op liep om te gaan jagen.

Aan het eind van de winter smolt de sneeuw weg en Grote Wolf was gewend geraakt aan de pijn in zijn buik en zijn vermoeide poten. Hij liep op een morgen een lang stuk omdat hij dichterbij niets te eten kon vinden. Zijn tocht bracht hem ongemerkt bij de bosrand en langs een veld vol gele en blauwe bloemetjes: sneeuwklokjes, verschillende krokussen en zelfs een enkele narcis. Het kon Grote Wolf niet schelen, bloemetjes waren geen voedsel. Dwars door het bloemenveld liep een zandpad dat de mensen gebruikten en toen Grote Wolf dat pad zag, liet hij zichzelf meteen verdwijnen tussen de bomen. Zijn hart bonkte in zijn keel maar daarnaast hoorde hij nog iets, een geluid dat hij niet eerder had gehoord. Een mensenstem. Het klonk hoog en melodieus en lang niet zo eng als hij zich had voorgesteld.

“’k Ben niet bang voor de Boze Wolf, ‘k ben niet bang, ‘k ben niet bang…”

Grote Wolf keek langs een boom heen en wat hij zag verbaasde hem. Dit mens was klein. Kleiner dan hijzelf. Misschien was het nog niet volgroeid? Een jong. Zoals hij zelf een jong was toen ze zijn moeder doodden. Er ging geen dreiging uit van dit mens en hoewel de nekharen van Grote Wolf overeind gingen staan, wist hij dat hij het jong zou kunnen verslaan. Het vlees zou sappig smaken en het speeksel liep hem al in de mond. Maar dwars door zijn honger heen voelde Grote Wolf nu ook twee andere dingen. Nieuwsgierigheid naar dit kleine mens. En woede. De mensen hadden zijn moeder gedood, op haar gejaagd met hun knallende wapens en dat zou hij hun nooit vergeven. En hier was er dan een, eetbaar en onschadelijk. Hij kon wraak nemen. Misschien zou hij zelfs alle mensen een voor een verslinden en hun jongen ‘s nachts laten sidderen als ze aan hem dachten.

Grote Wolf wilde juist zijn prooi bespringen toen het mensenjong weer sprak.

“’k Zal eens zien of… of….” Even was het stil. “’k Zal eens zien of… Hè, hoe zei Grootmoeder nou toch dat het ging?”

Een Grootmoeder? Was dat een van de Grote Jagers? Grote Wolf keen om zich heen maar hij zag geen andere mensen. Voor de zekerheid wachtte hij tot het jonge mens langs hem was gelopen en sloop achter haar donkergele wapperende mantel aan, snuffelend om erachter te komen of hij meer mensengeuren kon vinden.

Hoewel hij stil was als de maan, draaide het mens zich om zodra hij een poot op het pad plaatste.

“O, goedemorgen,” klonk het hoge stemmetje.

Ze rende niet weg. Ze pakte geen wapen om op hem te schieten.

“Ahem. Goedemorgen,” sprak hij terug.

“Ik ben op weg naar mijn grootmoeder. Ze is ziek en ik ga haar wat lekkers brengen.”

Dat was interessant. De Grote Moeder was ziek en verzwakt? Grote Wolf wilde meer weten.

“Zo, dan ben je een zorgzaam jong.”

Hoog gelach kietelde zijn oren. “Een jongen? Nee hoor, ik ben een meisje.”

Wel, dat kon hij niet ruiken.

“Goed, meisje. Waar woont de Grote Moeder die nu zo ziek is?”

“In het kleine witte huisje aan het einde van dit pad. Het loopt over de brug, dan links bij de grote eiken en dan zie je het al bijna tussen de bomen staan.”

“Aha. Wel. En zijn er geen andere mensen bij haar?”

“Nee, niemand,” sprak het meisje, “daarom ga ik juist naar haar toe. Ze zal heel blij zijn met de koekjes en de wijn, denk je niet?”

“Vast wel. Goed, ik moest maar eens gaan.”

“En bloemen! Ze houdt ook heel veel van bloemen!” riep het meisje uit. “Zal ik…”

“Zeker doen!” moedigde Grote Wolf haar aan. Nu hij wist waar het meisje heen zou gaan, kon hij nog wel even wachten met haar op te eten. Hij had zijn zinnen nu gezet op de verzwakte Grote Jager. Dan kon hij zijn moeder eindelijk wreken.

Hij wenste het meisje nog een goede dag en raadde haar aan goed te zoeken naar de mooiste bloempjes, voor ze verder zou lopen.

Ze bukte zich om naar de bloempjes te kijken en hij haastte zich het pad af dat het meisje had beschreven. Hij vond het witte huisje snel en zijn neus vertelde hem dat er meerdere mensen hier waren geweest, maar die waren nu niet aanwezig. Er was er nu maar een. En die rook muf, oud en ziek. Met een soepele sprong liet hij zichzelf door het raam naar binnen. Daar vond hij de Grote Moeder in bed en zijn honger en wraaklust laaiden op. Hij verspilde geen seconde, gaf haar niet de tijd om een wapen te pakken, maar vrat haar op met huid en haar. Ze had nauwelijks de tijd om te gillen en dat was maar goed ook, want Grote Wolf wilde het meisje – zijn prooi die zelf naar hem toe kwam – niet verjagen.

Het oude mens was taai geweest, maar het was de grootste prooi die hij ooit gegeten had. Voldaan liet hij zich op het bed vallen waar ze zojuist nog had gelegen. Als hij eerder had geweten dat Grote Jagers zo makkelijk te verslaan waren, was hij er nooit zo bang voor geweest.

Niet veel later klonk er een zacht gerinkel van buiten het huis. Grote Wolf had geen idee wat het betekende, dus hij spitste zijn oren. Nog een keer klonk het gerinkel, gevolgd door een bekende stem.

“Grootmoeder? Bent u daar?”

“Ja,” zei Grote Wolf zo hoog als hij kon.

Het meisje duwde de deur open en schrok toen ze de wolf zag. Grote Wolf trok de deken op het bed hoog op, tot over zijn neus. Toen pas durfde het meisje dichterbij te komen.

“U bent wel erg ziek, denk ik, grootmoeder. U klinkt heel anders en u ziet er ook niet zo goed uit. Maar ik heb een mandje met lekkers meegenomen, dan knapt u vast gauw weer op.”

Grote Wolf zei niets. Het meisje kwam nieuwsgierig dichterbij.

“Maar grootmoeder, wat heeft u grote oren.”

“Dan kan ik jou beter horen.” Jou, en mijn andere prooien.

Het meisje dacht er even over na en knikte toen.

“Maar grootmoeder, wat heeft u grote ogen.”

“Dan kan ik je beter zien.” Jou, en alle andere gevaren.

Ze kwam nog dichterbij en trok de deken naar beneden.

“Maar grootmoeder, wat heeft u grote tanden!”

“Dan kan ik je beter opeten!” Jou, en alle andere mensen.

Met die woorden sprong Grote Wolf uit het bed. Hij greep met zijn klauwen het meisje beet en verslond haar in één grote hap.

Nog nooit in zijn leven had Grote Wolf zoveel gegeten. Nog nooit sinds zijn moeder was gedood had hij een moment gekend zonder de knagende honger die zijn buik deed rommelen. En nog nooit had Grote Wolf zich zo rozig en voldaan gevoeld. Dat bed met de warme deken van de Grote Moeder had zo lekker gelegen en Grote Wolf wilde niets liever dan even slapen. Zijn ogen heel even dichtdoen. Nauwelijks had hij zijn zware lijf het bed op gesleept of hij viel in een diepe slaap. Hij droomde van een gevecht tussen hem en een Grote Jager. Het begon als een spannend gevecht: de Grote Jager met zijn knallende wapen tegen Grote Wolf met zijn sterke klauwen en scherpe tanden. Maar Grote Wolf wist nu dat hij Jagers wel aan kon. Dat niet de mensen, maar hij zelf het gevaarlijkst was. Langzaam werd de Grote Jager kleiner en kleiner tot Grote Wolf hem onder een voorpoot verpletterde. In zijn droom gromde Grote Wolf en in zijn slaap gromde zijn lichaam mee.

Hij gromde zo hard, dat de Jager die juist voorbij het hutje van grootmoeder liep, het duidelijk kon horen. De Jager wist dat oude vrouwtjes vaak wel snurken, maar toch niet zó hard, dus hij besloot voor de zekerheid een kijkje te nemen. Door een kier in de gordijnen zag hij Grote Wolf in het bed van grootmoeder liggen en de Jager wist wat hem te doen stond. Terwijl de Wolf in een diepe slaap was, knipte hij de uitpuilende buik van het beest open. Hij was verbaasd toen hij naast het lichaam van grootmoeder, ook nog het lichaam van haar kleindochter vond. En nog verbaasder toen hij merkte dat het meisje nog ademde. Ze zat onder de krassen van de nagels van de Wolf. Ze was ook bewusteloos, maar ze ademde toch echt. Helaas kon hetzelfde niet worden gezegd van grootmoeder. De Jager wist hoe het dorp voorgoed verlost kon worden van het enge beest: hij vulde het grote gat in de buik van de wolf met zware stenen. Zo zou hij waarschijnlijk niet meer kunnen lopen, laat staan jagen. Toen dit nare karweitje klaar was, tilde hij voorzichtig de lichamen van grootmoeder en Roodkapje op en bracht hen terug naar het dorp.

Grote Wolf was door dit alles heen geslapen. Maar uiteindelijk werd hij wakker. En hij had buikpijn, ongelooflijk veel buikpijn, erger dan zijn honger ooit had gevoeld. Hij sleepte zichzelf het bed uit, het huisje uit, maar elke stap deed een vurige flits van pijn door zijn lijf gaan. Hij voelde en hoorde dingen schuren en bonken in zijn maag. Dat hoorde niet, wist hij diep van binnen. Hij liet zijn neus langs zijn buik gaan en merkte de lange snee op die zijn hele lijf volgde. Hij likte eraan en proefde bloed. Nog een paar wankele stappen kon hij zetten, maar toen liet hij zich zo zacht mogelijk neerploffen op de grond. Voor zijn geestesoog verscheen zijn moeder. Ze liep naar hem toe en het beeld werd scherper. Ze besnuffelde hem.

“O, mijn Kleine Wolf, wat heb je gedaan?”

“Ik heb een Jager verslonden, moeder,” hijgde Grote Wolf.

Zijn moeder besnuffelde hem verder en likte aan zijn wond. Ze jankte zachtjes.

“O, mijn zoon, een mens is je te slim af geweest. Ik heb je toch altijd gezegd dat je ver bij de mensen vandaan moet blijven?”

Grote Wolf was blij de stem van zijn moeder te horen, maar wat ze zei hoorde hij nauwelijks.

“Ik heb wraak genomen omdat de mensen jou hebben gedood. Maar nu heb ik zo’n buikpijn…”

“Mij gedood? Nee, lieve zoon, dat hebben de mensen niet. Ik ben hier. Die koude winterdag dat ik ver weg moest gaan om eten voor ons te zoeken, kwam ik met mijn poot terecht in een klem van een Jager, die mijn poot brak. Ik kon niet ontsnappen en door de kou raakte ik buiten bewustzijn. Ik zou vast zijn doodgevroren als ik niet was gevonden door twee aardige mensen die voor me zorgden en mijn pot hielpen genezen. Ze lieten me gaan toen ik weer goed kon lopen en sinds die tijd ben ik op zoek naar jou. Maar ik ben te laat gekomen.”

Grote wolf hoorde slechts dat zijn moeder over mensen praatte. “Ik kan je beschermen tegen de mensen.”

Zijn moeder keek hem even aan en jankte weer. Ze wist dat ze niets meer kon doen voor haar zoon, dus ging ze naast hem op de grond liggen om zijn stervende lichaam warm te houden. Nog een paar keer hoorde ze hem dingen mompelen.

Zijn lijf begon te trillen.“De winter is zo koud.”

Hij sloot zijn ogen. “De Grote Moeders zijn het gevaarlijkst.”

Een enkele traan kwam tussen zijn oogleden door. “Ik heb elke avond om je gehuild.”

Zijn mond zakte open. “Ik zou wel een knallend wapen kunnen eten.”

Zijn poten verslapten en zijn ademhaling werd steeds oppervlakkiger. Tot hij ineens een diepe zucht slaakte.

Met zijn allerlaatste adem sprak Grote Wolf: “Ren moeder, voordat de Jager ons vindt.”

Monster

Monster

Monster heeft een grote, belangrijke droom. In zijn slaap bewegen zijn pootjes mee en zijn lippen krullen als hij gromt. Hij gromt vaak in zijn slaap, want steeds beleeft hij hetzelfde. Hij vecht met een andere hond. Hij wil niet vechten en de andere hond wil niet vechten, maar toch vechten ze. Rondom de vechtkooi staan mensen. Ze ruiken naar vergif en ze stompen op het metaal van de kooi. Het maakt Monster bang en woest tegelijk. De andere hond vliegt op hem af en Monster grijpt naar zijn keel. Zijn tanden zinken weg in de huid en hij draait zijn kop om de huid te laten scheuren. Hij weet inmiddels dat als hij het bloederig maakt hij soms een deken krijgt om op te liggen. Eten krijgt hij altijd, maar de nachten zijn niet altijd hetzelfde. Soms ligt hij zacht. Soms is het donker. Soms krijgen de beurse plekken een nacht om te herstellen voor er weer verse bijkomen. Altijd is hij alleen.

De andere hond slaat een poot in zijn gezicht om zijn neus weg te duwen. Monster grijpt opnieuw, nu in zijn flank. De vacht van de hond is wit, maar nu bevlekt met rode spetters. De hond jankt en gromt en draait zijn eigen kop zodat hij Monster terug kan bijten, net achter zijn poot. Hij trekt en Monster voelt iets knappen in zijn poot, die meteen slap in elkaar zakt.

Ze vechten, happen, steken, scheuren, klauwen en grommen verder tot Monster niets anders meer voelt dan pijn, niets anders meer ruikt dan bloed en niets anders meer wil dan slapen. Hij zal pas slapen als de andere hond stil blijft liggen of misschien als hij deze keer degene is die aan het einde van het gevecht niet meer opstaat. Nogmaals zoekt hij de zwakke plek in zijn keel.

Even later ligt de hond stil voor hem. De mensen om hem heen juichen. Ze schreeuwen, joelen en lachen en Monster voelt weer iets knappen, maar nu in zijn hoofd. Op zijn drie nog werkende poten springt hij op het deurtje af. Alsof er geen slot aan hangt, alsof hij sterker en machtiger is dan het koude metaal, zwaait de deur open. Hij bespringt de man die hem al die maanden heeft gedwongen om te vechten voor zijn leven. Zijn tanden zoeken de zwakke plek in zijn keel, zoals hij al zo vaak heeft geoefend.

Een hand raakt zacht zijn kop aan en meteen heeft Monster zijn kaken al om de pols staan. Iets houdt hem tegen om door te bijten.

‘Rustig maar, jongen,’ zegt een vriendelijke stem. ‘Rustig maar, ik doe je niets.’

Monster blijft nog even grommen, half in zijn droom en half in de werkelijkheid. De andere hand van de man vindt zijn kop en kriebelt rustig achter zijn oren tot hij de pols loslaat.

‘Zie je wel? Het is goed, jongen.’

Ja, Monster heeft een grote droom. Dat hij ooit weer leert te vertrouwen.

Dit verhaal is weekwinnaar geworden op kortverhaal.info

Weerklank

Weerklank

Sarali was juist klaar met haar viool stemmen toen ze de troonzaal in werd geroepen. Haar eerste gedachte toen ze door de hoge zaal liep was dat het een prachtige akoestiek zou geven. De koning en de prinses zaten op hoge tronen aan de achterkant van de zaal en Sarali had alle tijd om de paniek in haar buik omhoog te laten borrelen. Ze hoorde haar hart bonken als een ritmische drum en vroeg zich af of ze dat kon gebruiken, maar die gedachte vervloog toen de deuren met een zware bonk achter haar dicht vielen. Geen kans meer om te vluchten. Ze slikte en duwde haar onrust terug naar beneden.

Om haar lied goed te kunnen spelen, kon ze zich niet laten afleiden door angst of gedachten. Haar oude leraar was erop gebrand haar onder alle omstandigheden subliem te laten spelen en al had de oude man nooit kunnen voorzien dat dit haar omstandigheden werden, zijn concentratietechnieken waren precies wat ze nu nodig had. Ze moest alles buiten sluiten. De koning en de prinses die op haar neerkeken. De wachters die de deur blokkeerden en het gekleurde licht dat naar binnen viel. De nar aan de voeten van de prinses en de drie hofdames op de fraai versierde stoelen naast het podium. De gedachten aan haar geliefde die in de kerkers zat opgesloten en aan de omroepers die door de steden schalden dat ieder werd gevraagd de prinses uit haar zwarte stemming te bevrijden.

Al weken gonsden er geruchten over de prinses die alle levenslust verloren leek te hebben. De jonge vrouw was gestopt met eten, sliep slecht en deed bijna niets anders dan uit het raam staren naar de golven. Het paleis stuurde een wanhopige oproep naar alle hoeken van het land: vrolijk de prinses op, geef haar de liefde voor het leven terug, voordat ze sterft.

De koning beloofde een gunst te verlenen aan wie het lukte. Minder luid werd verspreid dat een gefaalde poging zwaar werd bestraft. Sarali had niet lang getwijfeld toen ze de oproep hoorde. Haar geliefde rotte weg in de kerkers door de fout van een ander en de wachters hadden haar uitgelachen toen ze audiëntie kwam vragen om dat recht te zetten. Dit was haar enige kans om de koning te spreken, de enige kans om haar geliefde weer in haar armen te kunnen sluiten. Het was het risico meer dan waard.

Sarali wist dat de kans groot was dat ze zich zou voegen bij de grote groep mensen die gefaald hadden. De mooiste jurken van de beste kleermakers konden net zomin een glimlach op het gezicht van de prinses toveren als de gekste capriolen van acrobaten. Schattige jonge vosjes werden dezelfde deur uit gestuurd als acteurs van de beste kluchten. Al die mensen zaten nu opgesloten, hun spullen waren afgepakt, ze waren mishandeld of verbannen. Niemand had de doodstraf nog gekregen. Nog. Maar niemand had dan ook gedaan wat Sarali ging proberen.

Even overwoog ze haar strijkstok nog eens te harsen maar besloot het niet te doen. Ze had het vandaag al vier keer gedaan. Ze boog diep naar haar koninklijke publiek, zette het houten instrument onder haar kin en streek over de eerste snaar.

Na de eerste paar noten was het de koning al duidelijk welk lied Sarali speelde, want hij wierp haar een woeste blik toe. Sarali slikte en sloot haar ogen. Ze liet zich overnemen door haar muziek.

Iedereen, ook de prinses, kende dit lied. Verloren Goud. Sarali zong de woorden niet, maar liet de muziek voor zichzelf spreken. Ze wist dat iedereen in de zaal het beeld deelde van de jongeman die zijn geliefde boos het moeras in zag lopen na een ruzie. Ze volgden het verhaal waarin het meisje, verblind door tranen, haar voet naast het pad zette. Sarali hoefde de mensen in de troonzaal niet te zien om te weten dat ze zijn wanhoop meevoelden. Samen met hem verloren ze in een traag legato zijn geliefde toen ze steeds verder het moeras in zakte, de punten van haar glanzende gouden haren steeds dichter bij de drassige grond, en verder tot aan het moment dat die lange gouden lokken in mineur als enige aan het oppervlak dreven.

Verloren Goud was het treurigste lied dat Sarali kende. Terwijl ze de laatste noot van de bekende melodie rekte waagde Sarali een blik op de prinses. Die zat er nog hetzelfde bij als aan het begin. Uit haar ooghoeken zag ze de wachters op haar afkomen. Maar ze hielden hun pas in toen Sarali na die uitgerekte noot doorspeelde. Dit was het moment. Dit was haar gok. Ze speelde de noten die ze zelf had geschreven en liet het verhaal van de jongen niet ophouden met het verlies van zijn geliefde. Ze liet hem doorleven met het gemis.

Sarali had het stuk al honderden keren gespeeld sinds de dag ze het schreef. De dag dat haar geliefde gevangen werd genomen. Elke keer dat ze de melodie speelde, legde ze al haar liefde, haar verdriet en haar wanhoop in de muziek. Uren en uren had ze gerepeteerd, tot haar polsen evenveel pijn deden als haar hart. Met de noten galmden nu haar emoties door de zaal.

Een minieme hoofdbeweging van de prinses trok haar aandacht. De jonge vrouw keek haar nu aan met een blik die Sarali niet meteen kon duiden. Werkte het? Zou de prinses met haar adellijke verschijning, haar elitaire leven en haar beschermde opvoeding diep vanbinnen hetzelfde kunnen voelen als zij?

Ze hield haar blik op de prinses gericht en speelde door. Ze zocht in het gezicht van de prinses naar een teken van herkenning – en vond het. De ogen van de prinses schitterden en staarden diep in haar eigen ogen. Met haar mond samengetrokken in een dunne streep gaf ze Sarali een miniem knikje. De grote klomp in Sarali’s buik leek iets van zijn massa te verliezen en ze speelde haar noten verder.

Toch bleef dat zware gevoel op haar maag rusten. De koning had gesteld dat iedereen ongestoord zijn vertoning mocht voltooien, zij het niet langer dan een uur. Hij had blijkbaar voorzien dat mensen hun straf voor falen zouden willen ontlopen. De regel dat iedereen mocht afmaken waar hij aan begon, rekte nu haar leven. Of heel misschien zou het haar leven redden. En dat van haar geliefde.

Met een lang vibrato beëindigde Sarali haar muziekstuk. Terwijl ze de klank van die laatste noot liet wegsterven keek ze om zich heen. Het licht door de ramen was nauwelijks verschoven, hoewel het voor Sarali uren geleden leek dat ze haar kin op haar viool had gelegd. De ijskoude blik van de koning werd nauwelijks verzacht door de tranen in zijn ogen. Een wachter slikte hoorbaar.

Sarali hoorde nu niets anders meer dan het gebonk van haar eigen hart terwijl ze wachtte op het oordeel van de koning. De prinses wachtte nergens op maar wenkte Sarali naar voren. Ze twijfelde, maar durfde ook niet in te gaan tegen een koninklijke opdracht. Langzaam stapte Sarali op haar af, verder en verder tot bij de trap naar podium. De koning, de hofdames, de wachters en de nar bleven doodstil zitten terwijl de prinses van de treden afstapte zodat ze op minder dan een armslengte afstand van Sarali kwam te staan. Alarmbellen rinkelden in Sarali’s hoofd want ze wist dat het geheel tegen alle protocollen in ging dat een gewone burger zo dicht bij een lid van de koninklijke familie kwam.

De prinses sloeg die protocollen in de wind en sloeg haar armen om Sarali heen. Sarali verstijfde. Niemand had haar ooit verteld wat ze geacht werd te doen als een prinses haar omhelsde. Maar wel hoe ze troost kon bieden. Onder de rijkversierde kleren en schitterende juwelen was de prinses niet anders dan een andere vrouw. Een vrouw in rouw. Waarom wist Sarali niet en dat zou ze waarschijnlijk ook nooit te weten komen, maar haar verdriet begreep ze, dus vouwde ze haar armen, met instrument en al, om de prinses heen. Met haar strijkstok nog in haar hand streelde ze de prinses over de lange haren die over haar rug golfden. Zo stonden ze totdat de koning zijn keel schraapte.

De prinses rechtte haar rug. “Dankjewel,” fluisterde ze in Sarali’s oor voor ze weer op haar statige troon plaatsnam.

De koning keek naar zijn dochter en het kleine, dappere glimlachje op haar mond. Toen richtte hij zijn blik op Sarali. “Je hebt het recht verworven om een gunst te vragen.”

Als herboren

Als herboren

Lichtelijk verdwaasd legt Jan de veerpont voor de laatste keer die avond aan. De wind giert om zijn oren, zelfs door zijn muts heen. Het deert Jan niet. Kan het echt zo zijn dat hij deze dag zonder vreemde incidenten door is gekomen? Zijn gebeden zijn verhoord. Een rustige Kerst is precies waar hij naar uitkijkt. Hij rondt zijn werkdag af, klopt liefdevol op de reling van zijn boot, draait zich om en loopt fluitend naar huis. Niets kan hem op dit moment deren.Kerstavond is zijn jubileumdag. Precies vierenvijftig jaar geleden trok hij aan de ruwe kabel van het oude veer. Zijn spieren vulden die van zijn oude collega aan. Nauwelijks meer dan een jongen was hij toen geweest. Zijn pluizige snorretje verried dat hij weliswaar achttien jaar was, maar zeker nog geen man. Het ontsnapte paard dat aan boord sprong had hem zoveel schrik aangejaagd, dat hij bijna zijn ontslag aanbood. De dagen en maanden daarna verliepen echter rustig. Zo eentonig als hem was beloofd.

Een jaar later, precies op Kerstavond, was de rivier felgroen gekleurd. Het jaar daarop werd zijn rustige routine verstoord door een vergissing van de monteur. Die had een verkeerd spoeltje geplaatst op het omloopventiel. De stank was niet te harden.

Een mysterieus gat in zijn pont. Een klein meisje dat van de pont sprong. Een jeugdvriendin die betaalde met een taart. Een politieonderzoek. Er werd zelfs een paar jaar geleden een een zeemonster gesignaleerd op het water. Achteraf bleek het een opblaasbare krokodil en iedereen had gegrinnikt over hoe men toch in paniek kan raken om niets. Jan had niet gegrinnikt. De krokodil was tijdens de ophef in zijn huis beland en niemand kwam hem ooit nog ophalen.

Binnen is het behaaglijk. Met een kop thee in zijn handen gaat Jan zitten op zijn vaste plek op de bank. Hij verheugt zich op It’s a Wonderful Life. Velen zouden hem uitlachen, maar hij heeft de film op videoband. Jaren geleden opgenomen en nog altijd werkt het prima. Een DVD-speler heeft hij ook, en een kast vol goede films, maar zolang zijn videorecorder het niet begeeft is Kerst een tijd voor videobanden.

Jan warmt een maaltijd op en klikt tijdens het wachten de kandelaar voor het raam aan. Hij geniet van de warme gloed die de woonkamer verlicht. Met de kerstkrans aan de deur, de kandelaar voor het raam en het kerststukje van de buurvrouw op tafel is zijn huis mooi in kerstsfeer.

Hij eet zijn maaltijd op de bank. Juist als hij zijn laatste hap neemt, gaat de deurbel. Met de film op pauze en een gevoel van onbehagen loopt Jan naar de deur. Zijn dienst zit erop, hij hoeft nu geen vreemde dingen meer te ondergaan. Toch?

“Dag. Hallo. Pardon, bent u de veerman?” Een slungelige man met rode wangen kijkt Jan hoopvol aan.

“Dat ben ik. Maar de pont is klaar voor vandaag. Na Kerst ga ik weer open.” Jan wenst dat hij het type persoon kan zijn dat de deur dichtslaat voor iemands neus, maar hij blijft staan.

“Ja. Ja, dat weet ik. Pardon, maar kunt u toch nog een keer varen? Ziet u, mijn vrouw is –”

Een trage, lage kreet onderbreekt de man. Jan steekt zijn hoofd wat verder naar buiten en ziet een hoogzwangere vrouw bij een fiets staan. Haar handen omklemmen haar buik.

“De weeën zijn begonnen en de auto staat bij de garage,” zegt de man met slecht verholen zenuwen. “Ze is pas over twee weken uitgerekend,” voegt hij toe en Jan knikt, al snapt hij niet waarom dat iets uit zou maken.

Aan een automobilist zou Jan hebben gezegd dat het nauwelijks twaalf kilometer was naar de brug. Als hij niet met zijn gedachten nog bij de film zat, zou hij er misschien aan denken het stel aan te raden een familielid met een auto te bellen. Of een vriend. Of een ambulance. Nu zucht hij en pakt zijn jas van de kapstok. De vrouw kreunt opnieuw, lang en laag. Jan heeft zich nooit erg beziggehouden met bevallingen. Als ongetrouwde man met alleen twee broers zijn kinderen ver weg en kent hij zwangerschappen vooral van films. Een scène flitst voor zijn ogen, waarin de vrouw plast tijdens haar weeën. Voor hij de deur uitgaat, grist Jan een stapeltje handdoeken uit de kast. Dat kan rotzooi schelen.

Niet veel later verlaat het veer de wal. Jan staat in het stuurhuis achter het bedieningspaneel en probeert het gehijg van de vrouw te negeren. Ze zit op zijn stoel, met een paar handdoeken onder zich. Een heer zou hij zichzelf niet noemen, maar geen fatsoenlijke man zou nalaten een vrouw met weeën zijn enige stoel aan te bieden. Hij kijkt om zich heen. De rivier is donker als altijd, geen andere lampen dan zijn eigen navigatieverlichting. Rood, groen en wit schijnt van dichtbij. In de verte branden de lichten van straten, huizen en auto’s. De sterrenhemel op aarde schijnt altijd en wordt nooit verscholen achter een wolkendek. De kerstverlichting maakt het schitterende plaatje compleet.

Iets onderbreekt zijn gestaar. Het duurt even voor hij het kan plaatsen, want de vrouw gilt bijna onophoudend. Dan hoort hij het. De motor klinkt anders. Het is jaren geleden dat de motor het begaf, maar het is een onmiskenbaar geluid. Het hydraulische gedeelte is ermee gestopt en daarmee heeft de motor geen stuwkracht meer. Jan verandert de verlichting om zijn situatie aan te geven en laat het anker zakken zodat de pont niet afglijdt. Dan pas dringt het tot hem door wat het betekent als ze hier nog een paar uur vast zitten.

Hij wrijft even over zijn kin terwijl hij op de man afstapt. Die staat op het trapje naar het stuurhuis, tegelijkertijd bij zijn vrouw en zo min mogelijk in de weg.

“Luister, meneer, ik heb slecht nieuws.”

De man kijkt verschrikt op naar Jan.

“De pont heeft technische problemen. We kunnen niet naar de overkant komen voor hij is gerepareerd.” Jan deelt al zijn hele leven de overtuiging dat dingen zeggen zoals ze zijn het voor iedereen gemakkelijker maakt.

De man trekt wit weg en grijpt naar de trapleuning. “Maar mijn vrouw…”

Jan knikt.

De stuurhut stinkt naar bloed, ontlasting, zweet en braaksel. Marian, de vrouw, maakt afwisselend geluid van vermoeidheid, pijn en zeeziekte. Joost, de man, rommelt door de EHBO-kist van de pont, leest forums en informatiesites op Google en houdt de hand van Marian vast.

Jan krijgt de monteurs na meer dan vijftien telefoontjes eindelijk te pakken. Op Kerstavond is het dienstrooster leeg en niemand heeft zin een extra dienst op zich te nemen. De man die officieel reservedienst heeft zit in het buitenland. Pas als Jan vermeldt dat een vrouw aan het bevallen is op zijn veer, zegt iemand toe te komen. De boot ligt niet aan de kade, dus dat duurt langer.

Jan belt ook een ambulance, kookt water, steriliseert doeken in de magnetron en volgt andere instructies van Joost op. Joost hangt inmiddels aan de lijn met een heel geduldige verpleegkundige die hem veel tips van Google weer uit zijn hoofd praat. Bovendien laat ze Marian en Joost ademhalingsoefeningen doen. Jan staat er een paar passen vandaan en vraagt zich af voor wie van de twee die oefeningen eigenlijk bedoeld zijn.

Het vervreemdende besef dat hij een echt babyhoofdje ziet doet Jan duizelen. Hoe is het mogelijk dat hij deelgenoot kan zijn van dit moment? In de afgelopen uren zijn Joost en Marian weliswaar meer geworden dan vreemden op zijn boot, maar hij blijft een buitenstaander. Deze geboorte is een klein wonder.

De verpleegkundige gaat verder met haar instructies over de navelstreng en de placenta, maar Jan luistert niet. Hij hoort eindelijk een motor. Nee, twee zelfs. De waterambulance en de monteur komen tegelijkertijd aan. Jan helpt een arts aan boord en neemt haar mee de stuurhut in. Ze stapt kordaat naar de ouders toe. Ze feliciteert hen met hun dochtertje en neemt de zorg voor de moeder over.

De monteur klopt Jan op zijn schouder. Even staan de twee mannen zwijgend naast elkaar, dan loopt de monteur naar de motorkast. Jan blijft kijken naar het kleine kerstwonder.

De monteur is een half uur op zoek naar de oorzaak en nauwelijks vijf minuten bezig met de reparatie voordat de motor weer werkt. Na een kort overleg wordt besloten dat het veer aanlanden en vanuit daar verder met een ambulance beter is voor de moeder, dus dat wordt zo geregeld.

Joost komt met een klein bundeltje naar hem toe vlak voor ze aanleggen. “Ze heet Christine.”

Jan feliciteert hem hartelijk.

Als ze van boord gaan, zwaait hij hen na. Er kijkt niemand om, maar dat deert hem niet. Onderweg naar de overkant staat hij fluitend in de stuurhut. Hij kijkt uit naar zijn film en een rustige Kerst. En misschien een beetje naar volgend jaar rond deze tijd.

Over De behulpzame buur:

Mevrouw kruiten heeft een rustige dag voor de boeg, tot ze ziet wat er in het huis van de overburen plaatsvindt. Ze besluit haar overbuurvrouw te helpen zo goed als ze kan, ondanks haar hoge leeftijd en pijnlijke enkel.

Literair Café Venray

Over In Dromen Gevangen:

In het huis aan de voet van de heuvel woont de weefster. ‘s Nachts weeft zij kleden voor haar dochters die niets te maken hebben met mode of verkoop. Samen bewaken ze een groot geheim, tegen een hoge prijs. Vele levens komen op het spel te staan als ze die prijs niet meer kunnen betalen.

Phoenix Books

Gebruikte foto’s van Unsplash.com

Engin Akyurt  Monster Johanna Jordan  Viool Joshua Freake  Alleen

Clever Visuals  Veer Andy Holmes  Kerstlichtjes Sarandy Westfall  Herinneringen

Wil je op de hoogte blijven van mijn verhalen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief!

Ik stuur je ongeveer een keer in de maand een update.